Op een rustige ochtend, toen de zon nog voorzichtig door de gordijnen scheen, lagen Beertje en Emma samen op het kleed. Ze luisterden naar de wind in de bomen en het zachte tikken van de regen op het raam. Alles voelde kalm.
Toen kwam ze — bijna als een zuchtje wind — Choco. Haar bruine vacht glansde als warme chocolade in het ochtendlicht. Ze kwam niet met geblaf of drukte, maar gewoon… aanwezig. Beertje stond meteen op en snuffelde verbaasd. “Choco?” fluisterde hij.
Emma keek op. Ze voelde het ook. Iets liefs, zachts. Iets dat nooit echt weg is.
Choco glimlachte met haar ogen. “Ik kom even dag zeggen,” zei ze. “Ik woon nu in het licht tussen de bladeren, maar ik ben nooit ver weg.”
Ze gingen samen naar buiten. De regen was gestopt. In de tuin speelde een zachte straal zonlicht op het gras, precies op de plek waar Choco vroeger altijd lag. Daar gingen ze zitten, stil. Niet verdrietig, maar warm. Alsof hun harten wisten: sommige vriendschappen zijn voor altijd.
En toen verdween ze weer, langzaam, als een ademhaling in de wind.
Beertje keek omhoog. “Ze komt terug in dromen,” zei hij zacht tegen Emma.
Emma knikte. “En in het zonlicht. Elke keer als het mooi is.”





